meditatie februari 2014 | een nieuw hart

EEN NIEUW HART

,,En ik zal U een nieuw hart geven”.

Ezechiel 36 26a

Wij leren het de kleine kinderen al, te bidden om een nieuw hart. En toch, hoe weinig verstaan wij van de onuitsprekelijk grote schat, die in die drie woorden besloten ligt: een nieuw hart. Nooit zal een mens, al bereikt hij de leeftijd van de zeer sterken, voor dat kindergebed te oud of te groot worden. Nooit zal hij Рal mag hij van dat nieuwe hart geen vreemdeling zijn Рkunnen zeggen hoe groot het wonder is, dat hij bezit. Nooit ook is te zeggen, hoe arm de mens is, die deze schat mist. Een nieuw hart. Ach, koning Saul kreeg een ander hart. Hij kreeg een hart met koninklijke moed, met gaven, die hem tot het ambt bekwaamden. Hij kreeg vele gaven, maar hij miste de vruchten. Hoe menigeen heeft aan de gaven genoeg en bemerkt niet zijn grote tekort: het gemis van de vruchten van het nieuwe leven. Met een ander hart kan men wel ver komen, zóver zelfs, dat anderen verwonderd vragen: is Saul dan ook onder de profeten? Maar men mist de eigenschappen van het nieuwe hart. Wat is dan van dat nieuwe hart te zeggen? Het is een verbroken en verslagen hart, waarachtig verslagen van zielesmart over zonde en schuld. Het is een verootmoedigd hart, dat voor de Heere zo hartelijk en diep buigt in het stof. Het nieuwe hart denkt zo klein van zichzelf en zo groot van God. Het nieuwe hart is een hart, waarin de liefde Gods is uitgestort tot God en tot de naaste. Men heeft een ander voor de hel niet meer over en smacht naar zijn behoud. Het nieuwe hart is een verlicht hart, het verstaat dingen, die het voorheen een dwaasheid achtte; het krijgt deel aan die wetenschap der heiligen, die voor wijzen en verstandigen verborgen is en aan de kinderkens geopenbaard. Het nieuwe hart beeft voor God en voor Zijn Woord, en heeft die God en dat Woord tegelijk zo innig en hartroerend lief. Het nieuwe hart is zo bevreesd voor het oude hart, voor de inwonende verdorvenheid, die het af wil trekken van Gods zalige gemeenschap. Het nieuwe hart hongert en dorst zo naar de volkomen en blanke gerechtigheid van Christus en acht alles buiten Hem minder dan schade en drek. Het nieuwe hart zoekt de dingen die boven zijn, het trekt op God aan. Dat kan ook niet anders, want het is een Godsgeschenk, en alles, wat uit God is, keert tot God weder.

Ds. A. Moerkerken